“Mijn sportliefde zit dieper dan de angst”

Interview met blinde sporter Johan Vande Bergh

dinsdag 10/03

Johan Vande Bergh ziet bijna niets meer, maar dat ervaart hij niet als een beperking. Integendeel, hij durft op sportief vlak zelfs veel meer dan andere mensen. Op zijn palmares staan onder andere skiën, windsurfen, paardrijden en meerdere malen de 20 kilometer door Brussel én de Ten Miles van Antwerpen!

De 55-jarige Johan Vande Bergh ontvangt me gastvrij bij hem thuis in Leuven. Binnen ontdek ik al snel sporen van zijn sportiviteit: foto’s, trofeeën en een loopband. Het is een zonnige dag en we besluiten om het interview buiten in de tuin te doen. “We kunnen hier bruinen,” grapt Johan. Zo begin ik het interview al meteen met een glimlach op mijn gezicht.

Johan, je hebt een visuele beperking. Hoe is die ontstaan en hoeveel kun je nog zien?

“Door een ziekte: het syndroom van Bardet-Biedl. Tot mijn 18 jaar kon ik nog alleen fietsen, maar vanaf dan is het veel verslechterd. Nu zie ik alleen nog de zon, het verschil tussen licht en donker.”

Ik ben hier vandaag omdat ik hoorde dat je heel sportief bent. Aan welke sporten heb je je al gewaagd?

“Veel! Onder andere skiën, windsurfen, fietsen, lopen, torbal, zwemmen, waterskiën, snowboarden, paardrijden, muurklimmen, fitness…”

Indrukwekkend lijstje! Welke sporten doe je regelmatig?

“Elke vrijdag ga ik fietsen. Vroeger liep ik regelmatig, maar nu heb ik iets aan mijn rug, dus valt dat even weg. Twee keer per jaar ga ik windsurfen, in het watersportcentrum Hazewinkel en in Oostende. Ik ga het liefst in Oostende, daar is meer wind.”

Sport je ook in clubverband?

“Ik heb torbal gedaan (een balsport in teamverband, specifiek ontwikkeld voor mensen met een visuele beperking, red.). We speelden onder meer in Brugge, Hasselt, Gent, Sint-Niklaas en zelfs een buitenlands toernooi in Italië en Duitsland. Maar uiteindelijk ben ik ermee gestopt. Ik vond dat wel tof, maar die mannen die meespeelden, veegden er hun voeten aan, terwijl ik zelf wél competitief ben. Je kunt natuurlijk niet alles winnen, maar als je je best niet doet, salut hé!”

"Met torbal ben ik gestopt. De mannen met wie ik speelde ,veegden er hun voeten aan, terwijl ik zelf wél competitief ben!"

Sport je altijd met begeleiding?

“Meestal wel, ja. Veelal met Bert en Isabelle. Intussen zijn ze vrienden geworden. Het is wel belangrijk dat het klikt met de mensen die je begeleiden.”

Uit een recent onderzoek van de KU Leuven, bleek dat voor mensen met een beperking het feit dat ze hulp nodig hebben van anderen om op de sportlocatie te geraken een grote drempel is om te sporten. Is dat iets dat bij jou meespeelt?

“Niet echt, nee. Mijn moeder gaat meestal mee tot aan de bushalte, maar ik kom altijd alleen terug. Dat schrikt me niet af en het houdt me ook niet tegen om te gaan sporten.”

Bij de sporten die je in het begin opsomde, vermeldde je skiën. Hoe werkt de begeleiding daar?

“De begeleiders staan beneden met een microotje en roepen ‘links’ of ‘rechts’. Als er mist of veel wind is, dan hoor je hen niet roepen en skiën we gewoon heel dicht achter elkaar. Soms ben ik eerst beneden. (lacht) Op de smalle stukken gebruiken we een stok.”

En bij het lopen?

“Ofwel gebruiken we een koord op de bredere stukken, ofwel lopen we arm in arm, als het parcours smaller is.”

Heb je al wedstrijden meegedaan?

“Ja, ik loop echt heel graag. Met Isabelle heb ik al drie keer de Eindejaarscorrida, het parcours van 8 kilometer, gelopen, in Leuven. Ik heb ook al vier of vijf keer de 20 kilometer door Brussel gedaan en drie keer de Ten Miles van Antwerpen.”

Heb je ooit al eens iets heel ergs meegemaakt tijdens het sporten?

“Ja. Ik ben nu al vijf jaar gestopt met skiën, omdat ik een zwaar ongeval heb gehad in Bolzano, Italië. In het ziekenhuis hebben ze toen mijn hoofd onderzocht, maar er was niets te zien. De dag nadat ik terug thuis was, voelde ik mij niet zo goed. Ik had afgesproken om te gaan fietsen toen en ben toch meegegaan. Onderweg kreeg ik iets en reed ik tegen een boom. Uiteindelijk hebben ze twee keer in mijn schedel moeten boren. Ik heb er gelukkig niets aan overgehouden.”

Gelukkig! Als zoiets gebeurt, ben je dan niet bang om opnieuw te gaan sporten?

“Nee, ik ben eigenlijk nooit bang, dus dat houdt mij niet tegen. Mijn moeder Agnes wil wel dat ik niet meer naar de sneeuw ga. Het was een angstig moment voor de mensen rondom mij, ze dachten dat ik er niet zou doorkomen.”

Begrijpelijk, maar bij jou zit de liefde voor sport duidelijk dieper dan de angst om iets ergs mee te maken. Wat is voor jou de belangrijkste motivatie om te sporten? Fysiek of mentaal?

(resoluut) “Alles. Als ik klaar ben met lopen, dan is alles weg. Geen zorgen meer. Ik kan ook niet goed stilzitten eigenlijk. Als ik maanden zou moeten stilzitten zonder te sporten, dan zou ik gek worden.”

Ik heb het gevoel dat je je gering gezichtsvermogen niet ervaart als een beperking. Je laat je er niet door tegenhouden om te doen wat je wil, ook al is het niet vanzelfsprekend. Zijn er echt geen limieten voor jou?

“Nee!”

"Als ik maanden zou moeten stilzitten zonder te sporten, dan zou ik gek worden.”

Dan nu even het totaal tegenovergestelde. Uit dat onderzoek van de KU Leuven bleek ook dat één op drie mensen met een beperking vorig jaar niet gesport heeft. Wat vind je daarvan?

“Dat zijn heel veel mensen. Ik vind dat echt slecht. Maar weet je hoe dat komt? Door al die computers. Ze krijgen de jeugd niet meer buiten.”

Heb jij soms geen zin om te gaan sporten?

“Tja, je kunt altijd zeggen: ‘Ik heb geen zin.’ Maar ik doe het meestal toch. Ik heb hier binnen zelfs een loopband staan. Toen ik nog liep, stond ik daar dikwijls op. Ik heb ook een koersfiets op rollen. Maar zo binnen sporten, dat doe ik enkel als het echt moet. Normaal ga ik altijd buiten sporten, ook in de winter.”

In het begin zei je dat je elke vrijdag gaat fietsen. Is dat met twee of in groep?

“Ik ga eigenlijk het liefst alleen met mijn piloot, Patrick, met de tandem. Dan fietsen we bijvoorbeeld van Leuven naar Antwerpen en terug, of naar Booischot via Lier en Duffel. Dan zit je aan zo’n 152 kilometer op één dag. Twee jaar geleden ben ik wel met een groep meegegaan naar Oostenrijk. We vertrokken dan in Zaventem en zijn op zeven dagen naar Oostenrijk gefietst, zo’n 150 kilometer per dag, van hotel naar hotel.” 

Dat zijn een pak kilometers. Maar het liefst ga je dus zelf en niet met een organisatie?

“Ja, liever zelf. Die anderen rijden veel te traag, Katrien!” (lacht)

Als je zo’n hele dag gaat fietsen, om hoe laat vertrek je dan?

“’s Ochtends komt Patrick naar hier met de fiets tegen half negen. We nemen dan een picknick mee in een rugzak voor ’s middags en in de late namiddag zijn we terug thuis.”

Let je dan ook op je eten als je zoveel sport?

(schalkse glimlach) “Ja natuurlijk… Nee, nee, ik eet alles! (lacht) Frietjes met biefstuk en soms een pintje erbij! Nu, ’s ochtends als ik moet gaan fietsen, eet ik wel van die havermout met rijstmelk. Ik probeer er wel een klein beetje op te letten, want anders worden we te breed, hé!” (lacht)

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.