Ode aan de sportschool

vrijdag 14/06

Het zou een raadseltje kunnen geweest zijn. In welke school studeer je bij voorkeur nooit af? Je leert er levenslang. Niemand maakt er een probleem van dat je om de haverklap van specialisme verandert. Je hoeft niet per se uit te blinken. En het is gewoon fijn om eens van alles te proeven. Nog leuk in deze door giftige polarisering gekleurde tijden: iedereen is er in principe gelijk, niemand wordt er uitgesloten. En wat meer is: je leert er mensen kennen die tot andere dan je gebuikelijke omgangssferen behoren. Hun verhalen raken je. Je schrijft er je eigen levensverhaal aan de hand van experimenteren met en uitproberen van wat je lijf je nog te bieden heeft binnen de telkens weer veranderende context van het eigen levensverhaal. Ziekte, blessures, een jaartje ouder worden, zijn er niet langer obstakels, maar vriendelijke uitdagingen om op een andere manier aan de slag te gaan. 

©Marc Van den Bossche

Ik weet het, dit is al een veel te lange inleiding – raadseltjesgewijs – om een antwoord te bekomen dat al in de titel staat. De sportschool. In Nederland is dat de gebruikelijk term voor wat in schoon Vlaams doorgaans ‘de fitness’ wordt genoemd. Waarom een ode aan de sportschool?

Een maand of twee geleden maakte ik mij de bedenking dat ik nog nooit zo goed had gefietst als op dat moment. Snelheid zegt niet noodzakelijk alles, maar het viel me toch op dat de gemiddeldes die ik haalde hoger lagen dan wat ik mij kon herinneren. Hoe dan ook maakte mijn fietscomputertje, zes jaar jong, mij duidelijk dat ik in de periode van ons altijd weer fijne avonturen samen, niet eerder zo snel dezelfde afstanden had afgelegd aan de snelheid waar ik plots toe in staat bleek. Ik moest niet eens diep gaan. En ik had nergens pijn. So what?, zal u zeggen. Gewoon al goed getraind in die nog prille periode van het wielerseizoen. Neen dus. Het ging om mijn derde fietstochtje dit jaar en dat liep al meteen over iets meer dan honderd kilometer.

De belangrijkste les die ik heb geleerd in die drie jaar knutselen en wrikken en wringen in dat kaartspel van het sporten is dat het zo immens belangrijk is oog te hebben voor de complexiteit en volledigheid van ons lijf

Dat ik het gevoel had nooit eerder zo goed gefietst te hebben was opmerkelijk om enkele redenen. De eerste is evident: als ik mijn volgende verjaardag vier, zal dat de zestigste zijn. Normaliter ga je het dan fysiek en sportief wat minder goed doen dan in minder rijpe periodes van je leven. De tweede reden is echter dat ik die – naar mijn aanvoelen en in volstrekte consensus met mijn fietscomputertje – straffe fietsconditie had opgebouwd zonder of met nauwelijks pedalen beroerd te hebben. Alles was te danken aan die vele verschillende toestellen die ik in de sportschool met mijn overvloedig zweet laat kennismaken. En de derde reden: ruim drie jaar geleden liep ik enkele ingedeukte en gebarsten ruggewervels op. Dat maakte fietsen moeilijk. Ik dacht zelfs lange tijd dat het nooit meer zou lukken. Osteoporose bleek mijn benige carrosserie tamelijk overtuigend aangetast te hebben. Dat is ook de reden waarom ik hier in mijn vorige column schreef dat het drie jaar geleden voor mij plots niet meer hoefde om enthousiasmerende stukjes te schrijven over sport als levenskunst. En over het welbevinden en zelfs de euforie die sportacitiviteiten als vergoeding voor gutsend zweet kunnen opleveren. Maar kijk: het is allemaal weer terug. En beter dan ooit, zo blijkt.

Nooit opgeven dus, beste lezer. Vorige keer verwees ik hier al naar die mooie uitspraak van triatleet Marc Herremans dat het leven is als een kaartspel. Zelfs met slechte kaarten probeer je nog het best mogelijk spel te spelen. Herremans deed die uitspraak in een gesprek dat ik in 2006 met hem had voor De Morgen waarin hij het had over zijn comeback, maar nu als rolstoelatleet. Mijn bewondering voor die man is immens groot. Mijn eigen kwaaltjes stellen niks voor in vergelijking met wat hem is overkomen. Maar dat beeld van slechte kaarten en een zo goed mogelijk spel is voor mij altijd richtinggevend geweest sedertdien.

Stel dat ik tante Kaat zou heten en u goede raad mocht geven, dan was het deze: laat al die spiergroepen ruim aan het woord. Eenzijdige belasting is voor niemand goed.

De belangrijkste les die ik heb geleerd in die drie jaar knutselen en wrikken en wringen in dat kaartspel van het sporten is dat het zo immens belangrijk is oog te hebben voor de complexiteit en volledigheid van ons lijf. Niet eerder had ik gedacht dat ik met groeiend enthousiasme met gewichten aan de slag zou gaan tussen (meestal) heren met imposantere spieren en betere looks dan de mijne. Ik heb in die drie jaar echter ook dat eenzijdige beeld zien veranderen. In de sportschool waar ik mijn zweeturen slijt, bestaat er iets als eGym. Acht toestellen vormen een cirkel en van toestel tot toestel wordt een andere van je spiergroepen bijgetrimd, van benen over romp tot schouders. Even je armbandje scannen en het toestel weet wie je bent en past zich meteen aan qua positie en qua gevraagde belasting. Mijn geteisterde wervelkolom houdt zich nu stil tussen beter getunede rugspieren. Ik loop rechter en steviger. Dat geeft zelfs een beter zelfbeeld. Echt waar.

Stel dat ik tante Kaat zou heten en u goede raad mocht geven, dan was het deze: laat al die spiergroepen ruim aan het woord. Eenzijdige belasting is voor niemand goed en al zeker niet al u een jaartje ouder wordt en als gewrichten wat minder kloek worden.

Opmerkelijk is alvast dat in het klassement dat online wordt bijgehouden van de eGym-scholieren twee dames de rangschikking aanvoeren die beiden ouder zijn dan ik. Dat beeld typeert ook de sportschool en is ook één van de redenen voor deze ode. Ik kan er niet zo meteen een exact getal op plakken, maar het (grote) publiek in ‘mijn’ sportschool bestaat voor een aanzienlijk groot deel uit dames op pensioengerechtigde leeftijd. Dat lijkt mij een relatief nieuw fenomeen. Charmant zijn ook de nog oudere koppels. Tachtigers, man en vrouw die elkaar liefdevol met een handdoek staan gade te slaan of een handje helpen. De sportschool is een plek van emancipatie. Een slechtziende man en zijn blinde vrouw komen met de tandem, de blindegeleidehond in een kar meetrekkend. De man vertelde mij in de kleedkamer dat zijn partner tot haar 34ste over een normaal gezichtsvermogen beschikte. ‘En ze keek graag in de spiegel’. Ze vindt haar weg tussen de toestellen en fietst, stapt op de loopband of op het steptoestel. Als ze uit de kleedkamer komt, gaat haar hond meteen blaffen aan de andere kant van de zaal. ‘Hier ben ik!’

Een jongeman gaat enkel op zondagmorgen niet aan de slag. Alle andere dagen is hij er pakweg twee uur bezig met krachttoestellen. Hij is aan één kant deels verlamd. Hij vertelde me tijdens zijn studententijd, nog niet zo gek lang geleden, een zwaar ongeval gehad te hebben met de auto. Op enkele tientallen plekken vertonen zijn hersenen daar sporen van. Een job hebben is niet mogelijk voor hem. Maar hij zegt zich zot te lezen over sport en over trainen. Het best mogelijke spel met die weinig benijdenswaardige kaarten, weet u. Zijn levenskunst.

Mijn laatste bekentenis: ik ga nu zo graag naar school dat zelfs mijn fietsuren in polders en langs vaarten er dreigen bij in te schieten. Het gevoel van aan mijn hele lijf te werken en daar fantastisch mooie vruchten van te plukken, dat is wat ik nu mijn sportieve levenskunst laat bepalen. En dat het fietsen nu beter gaat dan ooit, is een zeer fijn neveneffect daarvan. Pure Senses heet overigens de sportschool waar ik samen met alle andere de vlijtigste van de klas ben. Alleen al voor die titel zou je het doen.

Sporta-magazine is een uitgave van Sporta-federatie, die deel uitmaakt van de Sporta-groep.